Nederland wil in 2028 een wettelijke toets invoeren voor zzp’ers, terwijl Lyft $272,5 mln betaalt om een procedure over de classificatie van chauffeurs af te handelen. De twee dossiers onderstrepen hoe groot het economische belang is van de grens tussen zelfstandig ondernemerschap en werk dat op loondienst lijkt.
Wettelijke kenmerken voor zzp’ers
De beoogde Zelfstandigenwet moet opdrachtgevers en zelfstandigen vooraf meer duidelijkheid geven. Minister Aartsen van Werk en Participatie wil de angst voor naheffingen bij opdrachtgevers verminderen en zzp’ers een „veilige haven” bieden. De politiek zoekt al tien jaar naar werkbare regels voor zzp-werk.
De wet moet vastleggen aan welke voorwaarden iemand moet voldoen om als zzp’er te gelden. Tot nu toe stond vooral vast wanneer iemand juist niet als zelfstandige kon worden gezien: wanneer de feitelijke werkwijze te veel overeenkwam met die van een werknemer in loondienst.
In het voorstel moet een zzp’er zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, een btw-nummer en zakelijke rekening hebben en facturen versturen. Ook mag een opdrachtgever in beginsel niet voorschrijven waar, wanneer en hoe een opdracht wordt uitgevoerd. Die ruimte moet bij de zelfstandige liggen.
Daarnaast zou een zzp’er binnen twee jaar voor ten minste drie verschillende opdrachtgevers moeten werken. Voor die spreiding bestaat nog geen wettelijke norm. Over een verplichte financiële buffer wordt nog gesproken.
Lyft rondt oude procedure af
Lyft heeft ingestemd met een schikking van $272,5 mln in een zaak over de manier waarop het bedrijf chauffeurs classificeerde. De procedure dateert uit 2020, toen de juridische status van chauffeurs in de gig-economie nog niet was uitgekristalliseerd.
Chauffeurs in de gig-economie worden nu geclassificeerd als opdrachtnemers. Met de betaling sluit Lyft een geschil af dat ontstond in de periode voordat die kwalificatie was vastgesteld.
De Nederlandse aanpak richt zich op kenmerken die vooraf duidelijk moeten maken of iemand als zelfstandige werkt. De Lyft-zaak gaat juist over de financiële afwikkeling van een eerder conflict over die status. In beide gevallen staat dezelfde vraag centraal: welke verplichtingen volgen uit de manier waarop werk in de praktijk wordt georganiseerd?
